Docent Lucas ziet Mark (17) na een stageconflict afhaken: ‘Je kunt niet altijd boos weglopen’
Ze komen met het hele gezin binnenlopen bij het rapportgesprek. Mark kijkt strak voor zich uit. Z’n vader schudt me hartelijk de hand. Z’n moeder gaat meteen zitten, na een kort knikje. Mark kijkt nog steeds uitdrukkingsloos voor zich uit. Z’n vader lacht wat, draait op de stoel. En dan neemt Marks moeder het woord. “Hij moet een andere stage. Hij wil niet meer. Op al z’n stages pikken ze hem er altijd uit. Bij de vorige stage, bij de supermarkt ook, maar daar willen we het nu niet over hebben.”
Mark heeft me vanochtend in de klas al proberen te vertellen dat er ook nu weer iets gebeurd is op z’n nieuwe stage. Maar op dat moment waren we druk bezig met het maken van presentaties. Ik zei hem dat we na de les wel even konden praten. Maar, Mark kon z’n gesprek niet uitstellen. Een paar minuten later stond hij alweer naast me.
“Meester, het gaat over stage, ik wil niet meer. Ik wil op de gang even met u praten.” “Mark, in de pauze kunnen we er wel over praten. Dat gaat nu niet. Ik kan de klas nu niet uit.” Er zitten twaalf jongens in de klas. Zolang ik er ben, gedragen ze zich prima. Maar als ik de klas uitga, lonkt de vrijheid. Dan kan een kleine aanleiding al grote gevolgen hebben.
Die ochtend was ik naar de toilet gegaan tijdens de les. Toen ik terug kwam, stonden twee jongens tegenover elkaar. Gebalde vuisten, helemaal opgefokt. De een dacht dat de ander z’n stoel omver had geschopt. De ander riep alleen maar dreigend: “Weet je dat zeker? Weet je dat zeker?” “M’n stoel gleed weg, en het voelde alsof iemand er tegenaan schopte!” “Weet je dat zeker?” Uiteindelijk keerde de rust terug in de klas, maar het was geen moment voor Mark om op de gang rustig z’n verhaal te vertellen aan me.
Waarom Mark (17) na een grap niet meer naar zijn stage wil
’s Middags, na de les, vertelde hij me over de nieuwe kluisjes op z’n stage in de winkel. Hij had z’n spullen erin gelegd. Toen hij in de pauze terug kwam, was alles verdwenen. Z’n kluisje was leeg. “Hij had alles eruit gehaald, hij had het verkocht, zei hij. Al mijn spullen. Een paar honderd euro.” “Wie had dat gedaan?” vroeg ik hem. “Zo’n werknemer, die man van transport.”
Het was een warrig, onduidelijk verhaal, maar ik begreep dat uiteindelijk de caissière erbij gekomen was, en die had gezegd dat hij -die man van transport- moest stoppen met Mark voor de gek houden. Mark was boos geworden en de man van transport had lachend Marks spullen teruggegeven. En nu, tijdens het rapportgesprek, zie ik hem weer boos worden.
Marks ouders begrijpen zijn boosheid, maar zijn docent twijfelt
Hij vertelt dat hij niet meer terug gaat, dat hij naar een andere plek wil. Hij struikelt over z’n woorden. “Dus Mark heeft een andere stage nodig”, zegt z’n moeder. “Maar denken jullie niet dat het eigenlijk als een grapje bedoeld was?” Ik probeer het voorval te relativeren. “En dat we dat misschien eerst eens aan die man van transport moeten vragen?” “Hij wil niet meer”, zegt z’n moeder. “En hij is zo groot, ik kan hem niet dwingen.”
Ik ken Mark inderdaad als een jongens die onwrikbaar is, als hij een idee in z’n hoofd heeft. ‘Wat hij in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn kont’, zou m’n geliefde zeggen. “Mark zit in het examenjaar op school. Hij heeft een leuke stage. Hij is er bijna altijd. Ik denk dat die man grappig wilde zijn. En die grap is uit de hand gelopen. Ik stel voor dat ik morgen even langs kom in de winkel, en dat we het samen bespreken”, zeg ik.
“Ik ben er niet”, antwoordt Mark. “Ik blijf thuis, ik ben te boos”. “Ja, zo was ik vroeger ook”, zegt z’n vader. “Als iemand aan mijn spullen zou zitten, zou ik ook boos zijn”, zegt z’n moeder. “Maar Mark”, ga ik verder, “Je bent op al je stages met een conflict weg gegaan. En je vindt dit eigenlijk een leuke stage. We gaan toch niet zomaar stoppen? Dat is jammer.” “Ik was vroeger ook zo”, zegt z’n vader. “Ja, laat hem maar”, zegt z’n moeder.
Tijdens mijn eerste baan als docent Nederlands, kreeg ik een conflict met de adjunct-directeur van de school. Ze wilde dat ik naar een vergadering kwam op mijn vrije dag. Maar, ik had samen met m’n geliefde een strak weekschema, en ik was die dag met de kinderen thuis. Ik zei de adjunct-directeur dat ik wel kon komen, maar dat ik dan wel een werkdag moest ruilen, vanwege de kinderen en het werk van m’n geliefde. Dat wilde de adjunct-directeur niet, dat was niet de bedoeling. Ik moest gewoon komen. Ze verweet me inflexibel te zijn. Daarover was ik zo ontstemd, zo boos, dat het niet meer goed kwam tussen ons. Ik diende m’n ontslag in bij de directeur.
Waarom ik na 20 jaar anders denk over boos weglopen
Nu, twintig jaar later, zou ik het anders gedaan hebben. Ik zou het probleem proberen op te lossen, gezamenlijk. Niet woedend de deur achter me dicht trekken. “Oké”, zeg ik. “We gaan het zo doen. Je wilt morgen niet naar de winkel. Dus je meldt jezelf af. Maar, je vertelt wel waarom je er niet bent. Je bent niet ziek en je gaat niet stoppen met je stage. Je vindt het leuk in de winkel. Je hebt goede begeleiding en ook leuke collega’s. En dit is niet genoeg om zomaar te stoppen. Het is een uit de hand gelopen grap. Je gaat dit schooljaar niet woedend weglopen bij een conflict, maar je gaat je problemen oplossen. En dat hoef je echt niet alleen te doen. Je ouders en ik helpen je daarbij”.
Het is stil in het lokaal na deze monoloog van me. Mark kijkt me aan. “Deze week ben ik er niet. Morgen niet en vrijdag ook niet.” “Waarom niet?” vraag ik. “Ik moet eerst rustig worden. Maandag ben ik er wel weer.” Ik glimlach. “Goed plan meester”, zegt Marks moeder. Ze staat op. “Ik heb honger”, zegt Mark. “Bedankt”, zegt z’n moeder, en ze geeft me een hand. “Ach meester”, zegt z’n vader. “Ik was vroeger ook zo”. Hij legt z’n arm om de schouders van Mark. “Ik bel morgen wel met je begeleider hoor”, zegt hij tegen Mark, als ze samen het lokaal uitlopen.
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2025%2F09%2Flocas-westerbeek-1.jpg)