In groep 3 gaat het vaak mis

redactie 19 jun 2018 Groepen 1-8

Kinderen die geboren zijn na een zwangerschap van minder dan 32 weken of met een geboortegewicht lager dan 1500 gram, zouden verplicht getest moeten worden op vijfjarige leeftijd. Bijna de helft van hen blijkt namelijk problemen te krijgen op school.

Kinderen die veel te vroeg geboren worden, blijven steeds vaker in leven dankzij de moderne intensive care. Maar uit onderzoek van kinderarts-neonatoloog Martin de Kleine, verbonden aan het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven, blijkt dat ruim 45 procent van hen er wel uiteenlopende ontwikkelingsproblemen aan overhoudt. Ernstige stoornissen zijn meestal op tweejarige leeftijd al bekend. Maar problemen die te maken hebben met het opdoen van alledaagse vaardigheden en het normale leren, worden vaak pas op de basisschool vastgesteld. Reden waarom De Kleine pleit voor een verplichte uitgebreide test op motoriek, cognitie, gedrag, spraak en taal vóórdat een kind naar groep 3 gaat, omdat de juiste en bijtijds gegeven begeleiding veel van die problemen kan minimaliseren. Eerder testen heeft weinig zin, omdat het kind er dan nog niet volledig aan kan meewerken.

Waar loopt die 45 procent precies tegenaan? Volgens De Kleine gaat het om een heleboel kleine dingen die, bij elkaar opgeteld, een steeds groter obstakel kunnen gaan vormen. Zo kampen deze kinderen vaak met:

  • motorische problemen, bijvoorbeeld schrijven of het doen van meerdere dingen tegelijk.
  • cognitieve problemen, ze hebben vaak een IQ-achterstand van 10 tot 15 punten.
    Dat is niet zoveel als je heel slim bent, maar een essentieel verschil bij een gemiddelde intelligentie.
  • concentratiestoornissen
  • gedragsstoornissen, ze zijn extra druk of juist heel teruggetrokken

De Kleine: ‘Natuurlijk zijn er ook gewone kinderen die met een van deze problemen te maken hebben. Maar dan gaat het meestal om één of hooguit twee van de vier genoemde punten. Vaak kunnen zij dat mankement nog wel compenseren met iets anders waar ze wel goed in zijn. Maar kinderen die te vroeg geboren zijn komen in veel gevallen op alle vier de punten net wat minder goed mee, en dan is er niet zo heel veel meer waar je mee kunt compenseren.’

Op hun tenen lopen

Jammer genoeg worden deze problemen vaak niet als zodanig herkend. ‘Wat je veel ziet,’ zegt De Kleine, ‘is dat kinderen die te vroeg geboren zijn, een jaartje blijven zitten. Dat lijkt vrij logisch. “Ze zijn eigenlijk jonger dan ze feitelijk zijn,” zo is vaak de redenatie. Maar vaak blijkt dat het ondanks zo’n extra jaartje nog steeds niet lekker gaat. Dat leidt er in sommige gevallen toe dat een kind op het bijzonder onderwijs terechtkomt. En dat is, denk ik, in veel gevallen ook weer niet nodig. Want met een aangepast programma dat inspeelt op de specifieke kleine handicaps, kan een kind best meekomen. Door de problemen te erkennen voorkom je dat het voortdurend achter de lesstof aan moet hollen. Stel je maar eens voor hoe moeilijk het is om bij te blijven als je, vanwege een slechte motoriek, heel langzaam schrijft. Zo’n vertraging werkt op allerlei terreinen door. Ik maak vaak de vergelijking met een groep ervaren skiërs die op pad gaan met iemand die het minder goed kan. De goede skiërs zijn natuurlijk als eerste beneden en wachten op de slechte skiër. En ondertussen rusten ze lekker uit. Maar de slechte skiër die totaal vermoeid beneden aan komt, krijgt die kans niet. Hij moet meteen weer door. Zo is het ook vaak voor het te vroeg geboren kind. Dat moet op alle terreinen op zijn tenen lopen en krijgt niet de kans om bij te komen. Dat is doodvermoeiend natuurlijk.’

Tijdig eventuele nadelen van een vroeggeboorte vaststellen, is dus heel belangrijk. Maar die screening moet wel door een kinderarts gedaan worden die erop getraind is om specifieke problemen van vroeggeborenen op te sporen, benadrukt De Kleine. In de praktijk is gebleken dat een vereenvoudigde test – die dus door meerdere medici te gebruiken zou zijn – niet goed werkt. Het luistert allemaal heel nauw.

Helaas heeft het pleidooi van De Kleine voor een test op vijfjarige leeftijd er nog niet toegeleid dat deze standaard wordt afgenomen. Slechts in vijf van de tien centra voor neonatale intensive care – dé plek waar nazorg wordt gegeven aan vroeggeborenen en hun ouders – worden de kinderen opgeroepen voor een dergelijk onderzoek. Daarom raadt De Kleine alle ouders van prematuren aan om hun kind scherp in de gaten te houden en bij de minste of geringste twijfel over het functioneren – meestal openbaart zich dit rond 5, 6 of 7 jaar – aan de bel te trekken. Want op dat moment is er nog veel leed te voorkomen.

Soorten therapie

Kinderarts Aleid van Wassenaer, verbonden aan het Amsterdams Medisch Centrum, is gespecialiseerd in de problematiek van premature kinderen. Zij onderzoekt te vroeg geboren kinderen op verschillende leeftijd en verwijst ze zo nodig door naar een therapeut. Welk soort therapeut dat is, kan per kind enorm verschillen. Van Wassenaer: ‘Kinderen met een slechte motoriek stuur ik bijvoorbeeld door naar een speciale fysiotherapeut die gespecialiseerd is in sensomotorische therapie. Die werkt dan onder andere aan het evenwicht van het kind.

Ergotherapie helpt kinderen om met de prikkels van de omgeving om te gaan. Zo leren ze hoe ze stil kunnen blijven staan in de rij op school, hoe ze zich op een efficiënte manier kunnen aankleden, hoe ze tegelijkertijd kunnen blijven zitten en schrijven. Een ergotherapeut helpt hele alledaagse handelingen mogelijk te maken zodat het kind beter kan functioneren. En kinderen met spraakproblemen stuur ik naar een logopedist.’

‘Soms zijn te vroeg geboren kinderen op sociaal vlak niet heel handig,’ vervolgt ze. ‘In zo’n geval verwijs ik ze wel eens naar een psycholoog voor een sociaal-emotionele vaardigheidstraining. Is een kind heel erg druk, en dat komt best vaak voor bij vroeggeborenen, dan laat ik door een kinderpsychiater checken of er sprake is van adhd.

En soms gaat er in de opvoeding iets mis. Dan zijn ouders bijvoorbeeld zo bezorgd over hun kwetsbare kind dat ze het moeilijk vinden om daadkrachtig of streng op te treden als het daar – net als alle andere kinderen – om vraagt. In zo’n geval haal ik er een orthopedagoog bij. Die praat dan zowel met de ouders als met het kind en probeert de opvoeding weer te normaliseren, zodat het kind weer beter gaat functioneren.’

Extra hulp op school

Komt een kind op school moeilijk mee, dan probeert Van Wassenaer extra onderwijsondersteuning te regelen.

‘In sommige gevallen is het nodig om kinderen door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Dat is vaak lastig omdat veel van deze kinderen op verschillende terreinen net wat minder goed meekomen. Daar is het onderwijs niet op afgestemd. Je kunt een kind dat iets minder goed hoort wel naar een slechthorendenschool sturen, maar daar is het niet echt op zijn plaats als er ook problemen op andere gebieden zijn. Datzelfde geldt voor de andere afwijkingen. Het is heel lastig als je van alles een beetje hebt.’

Vast staat dat de kinderen veel baat kunnen hebben van de genoemde therapievormen. Van Wassenaer maakt zich dan ook echt hard voor de zaak en probeert een landelijk beleid rond de vroege opsporing van problemen van de grond te krijgen. Vooralsnog gebeurt dit op beperkte schaal. Evenals Martin de Kleine adviseert zij daarom ouders van kinderen boven de 5 jaar bij elke twijfel over het functioneren langs te gaan bij het centrum voor follow up na neonatale intensive care – dat zal meestal het centrum zijn waar het kind als baby heeft gelegen – en te vragen om een test die zo nodig kan leiden tot de juiste verwijzing.

Martin de Kleine stelt tot slot dat het niet zijn bedoeling is om paniek te zaaien onder ouders van vroeg geboren kinderen. ‘Je moet natuurlijk niet vergeten dat 50 procent van de kinderen geen problemen heeft. Die ouders zou ik vooral willen aanraden om regelmatig tegen elkaar te zeggen: “Wat gaat het toch goed met ons kind!”’l

Meisjes zijn sterker

Onlangs werd de discussie over te vroeg geboren kinderen weer aangeslingerd. Neonatoloog Hans van Goudoever, verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, pleitte ervoor om de strakke regels rond vroeggeboorte – bij kinderen jonger dan 25 weken wordt niet ingegrepen – een beetje te laten vieren. De overlevingskans van een hele jonge baby wordt namelijk niet alleen bepaald door zijn leeftijd in weken, maar ook door het gewicht, de conditie bij de geboorte, de eigen kracht en, heel opmerkelijk, door het geslacht en zelfs door het ras. Zo hebben meisjes een grotere overlevingskans dan jongens en blijken zwarte meisjes weer sterker dan witte meisjes. Volgens Van Goudoever moeten dit soort argumenten ook meegewogen worden bij de beslissing of er wel of niet wordt ingegrepen bij kinderen die na een zwangerschap van minder dan 25 weken ter wereld komen.

Neonatoloog Martin de Kleine erkent deze verschillen maar pleit er desondanks toch voor de grens weer op te schuiven naar 26 weken. Uit zijn onderzoek blijkt immers dat bijna de helft van de prematuren op latere leeftijd te maken krijgt met ontwikkelingsproblemen.

Reageer op artikel:
In groep 3 gaat het vaak mis
Sluiten