Pedagogisch expert: bij deze teleurstellingen kun je je kind beter niet meteen helpen
Als ouder wil je je kind verdriet, frustratie en teleurstelling het liefst besparen. Toch is het volgens pedagogisch expert in gedrag van kinderen Anne-Marie Stevens juist belangrijk dat kinderen af en toe ongemak ervaren. Daar leren ze van: moeilijke gevoelens zijn vervelend, maar gaan ook weer voorbij. Aan J/M Ouders vertelt Stevens waarom kinderen dit nodig hebben én waarom het voor ouders zo lastig kan zijn om niet meteen in te grijpen.
Ongemak voorkomen
Dat ouders ingrijpen, komt volgens Stevens bijna altijd voort uit liefde. Wanneer je kind huilt, gefrustreerd is of teleurgesteld raakt, voel je als ouder zelf ook onrust. “Dat ongemak van je kind zien, voelt in je lijf vaak net zo onaangenaam als eigen ongemak. Ingrijpen stopt dus niet alleen het ongemak van je kind, het stopt ook je eigen onrust.” En dat maakt ingrijpen verleidelijk: je kind is weer rustig en jij voelt je als ouder ook beter.
Ook je eigen opvoeding kan daarin een rol spelen. Ouders die vroeger weinig ruimte kregen om te worstelen, of zelf veel pijn hebben meegemaakt, kunnen extra geneigd zijn hun kinderen daarvoor te behoeden. “Ze willen hun kind besparen wat zij zelf hebben meegemaakt, soms zonder dat ze zich realiseren dat ze daarmee ook de oefening weghalen.”
Valkuil
Volgens Stevens leven we bovendien in een tijd waarin geluk en gemak soms als vanzelfsprekend worden gezien. Een teleurstelling die je had kunnen voorkomen, kan daardoor voelen als iets wat je als ouder had moeten oplossen. Maar kinderen moeten juist ervaren dat iets niet lukt, dat ze moeten wachten, zich vervelen of een keer verliezen. In kleine, veilige situaties ontdekken ze: dit voelt vervelend, maar ik kan ermee omgaan.
“Bescherming op de korte termijn is de makkelijke keuze. Maar op de lange termijn ontneem je je kind de kans om te ontdekken dat het zelf iets aankan. En dat vertrouwen, ik kan met ongemak omgaan, is precies de bodem onder veerkracht.”
Waardevolle oefenmomenten
Daarvoor hoef je als ouder geen grote uitdagingen te bedenken. Juist in het dagelijks leven zijn er volop momenten waarop kinderen kunnen oefenen. Een kind dat zijn veters niet gestrikt krijgt en gefrustreerd raakt, bijvoorbeeld. De verleiding is groot om het snel zelf te doen, zeker als je haast hebt. Maar als je even wacht, krijgt je kind de kans om door te zetten. “Natuurlijk mag je uiteindelijk best even helpen, maar we laten ze het vaak niet eens meer proberen.”
Hetzelfde geldt voor verveling. In de auto, tijdens het wachten of op een regenachtige middag zijn ouders al snel geneigd een scherm of activiteit aan te bieden. Maar volgens Stevens is verveling juist waardevol. “Verveling is de plek waar fantasie en zelfstandig spel ontstaan. Een kind leert dan zelf iets te verzinnen in plaats van vermaakt te worden.”
Ook conflicten tussen kinderen zijn oefenmomenten. Als broertjes en zusjes ruzie maken of vriendjes het tijdens het spelen niet eens worden, stappen ouders vaak automatisch in. Maar zolang de situatie veilig is, kunnen kinderen leren onderhandelen, hun grenzen aangeven en omgaan met teleurstelling. Ook een spelletje verliezen hoort daarbij. “Niet altijd fijn, wel heel leerzaam.”
Misschien wel het lastigste oefenmoment is een simpele ‘nee’. Een extra koekje, langer op de telefoon of een cadeautje in de winkel: kinderen kunnen flink protesteren. “Veel ouders zwichten juist op dit soort momenten, omdat de reactie van het kind onaangenaam is. Maar juist door bij die nee te blijven, geef je een kind de kans om te ontdekken: ik overleef deze teleurstelling.”
Frustratietolerantie
Frustratietolerantie en veerkracht zijn volgens Stevens geen eigenschappen die een kind simpelweg heeft of niet heeft. Het zijn vaardigheden die zich ontwikkelen door ervaring. “Zonder oefening, geen groei.” Wanneer een ouder steeds ingrijpt voordat een kind de kans krijgt om zelf met ongemak om te gaan, mist het die oefening. Het leert dan minder goed dat een vervelend gevoel tijdelijk is en dat het zelf iets kan doen om verder te komen.
Dat kan zich later uiten in een lage frustratietolerantie. Een kind wil bijvoorbeeld dat iets meteen lukt en raakt enorm gefrustreerd als dat niet gebeurt. “Niet omdat het kind ‘lastig’ is, maar omdat het simpelweg nooit heeft geoefend met het verdragen van dat ongemakkelijke gevoel tussen ‘het lukt nog niet’ en ‘het lukt uiteindelijk wel’.”
Stevens vergelijkt veerkracht met een spier. “Die groeit niet door hem te ontzien, maar door hem, zo nu en dan, te belasten.” Een kind dat regelmatig ervaart dat iets moeilijk is, ontdekt: ik voelde me rot, en toch kwam ik eruit. Die ervaring geeft uiteindelijk vertrouwen in de eigen veerkracht.
Signalen
Dat betekent niet dat ouders hun kinderen maar aan hun lot moeten overlaten. Er is een belangrijk verschil tussen een kind laten oefenen en een kind niet helpen wanneer het dat nodig heeft. “Het verschil zit niet zozeer in de situatie zelf, maar in een aantal signalen waar je als ouder op kunt letten.”
Een belangrijk onderscheid is dat tussen frustratie en paniek. Een kind dat zucht, boos wordt of even moppert, is waarschijnlijk aan het oefenen. Maar als een kind in paniek raakt, ontroostbaar huilt of volledig dichtklapt, is de belasting te groot geworden. “Dan is het geen oefenmoment meer, maar overleven.”
Ook leeftijd en ontwikkeling spelen een rol. Wat voor het ene kind een gezonde uitdaging is, kan voor een ander te veel zijn. Een peuter die gefrustreerd raakt omdat de rits van zijn jas niet lukt, heeft iets anders nodig dan een puber die vastloopt op een moeilijk huiswerkprobleem. “Beide kinderen oefenen met ongemak, maar de vorm van ‘erbij blijven zonder over te nemen’ ziet er totaal anders uit.”
Omslagpunt
Een ouder hoeft dus niet meteen het probleem op te lossen om er voor het kind te zijn. Je kunt naast je kind blijven zitten en zeggen: ‘Ik zie dat dit lastig is. Ik blijf hier. Jij mag het proberen.’ “Juist die aanwezigheid, zonder de situatie of taak over te nemen, is waar het omslagpunt zit tussen een gezonde uitdaging en overvraging.”
Misschien ligt de grootste uitdaging daarbij bij de ouder zelf. Want je kind zien worstelen, is niet makkelijk. Stevens adviseert daarom om eerst stil te staan bij je eigen reactie. “Als je kind ongemak ervaart, voel jij als ouder vaak ook iets: onrust, spanning, de drang om in te grijpen. Die reactie leren herkennen is de eerste stap.”
Ingrijpen
Geef jezelf een paar seconden voordat je iets doet. Adem in en uit en vraag jezelf af: is dit gevaar of ongemak? Bij gevaar grijp je in. Maar bij een huilbui vanwege een ‘nee’, frustratie omdat iets niet lukt of verveling hoeft dat niet meteen. Het kan helpen om vooraf te bedenken: wat ga ik deze week bewust laten gebeuren zonder in te grijpen?
En er is nog een belangrijk onderscheid: je hoeft een emotie niet weg te nemen om wel een grens te stellen. “Je mag zeggen: ‘Ik snap dat je boos bent, en toch blijft de afspraak staan.’” Daarmee bied je je kind verbinding én ruimte om te oefenen.
Niet perfect
Tot slot wil Stevens ouders vooral meegeven dat ook zij dit mogen leren. “Wees niet te streng voor jezelf als het niet lukt. Ook deze vaardigheid, de eigen beschermingsreactie uitstellen, is iets wat je mag oefenen, niet iets wat je van de ene op de andere dag beheerst.”
Het doel is niet om kinderen zoveel mogelijk ongemak te bezorgen. Het gaat erom dat je niet ieder ongemak automatisch voor ze wegneemt. Soms is het beste wat je als ouder kunt doen niet oplossen, afleiden of overnemen, maar dichtbij blijven. Zodat je kind zelf kan ontdekken: het is even moeilijk, maar ik kan dit aan.
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2025%2F09%2FSchermafbeelding-2023-07-03-om-10.03.07.png)
:format(jpeg):background_color(fff)/https%3A%2F%2Fwww.jmouders.nl%2Fwp-content%2Fuploads%2F2025%2F11%2FAnne-Marie-juli-4-e1770321176984.jpeg)