Marieke schrijft over het moment dat je kind uit huis gaat: ‘Daar gaat-ie, na 21 jaar samen’

Marieke Sibarani Vandaag

Je weet dat de dag komt waarop je kind uit huis gaat. Maar hoe voelt het als het na 21 jaar echt zover is? Auteur Marieke Sibarani beschrijft in deze column het moment waarop een moeder haar zoon ziet vertrekken en achterblijft in een plotseling stil huis.

Daar gaat ie. Dit is de dag. De capuchon van zijn hoodie wipt op telkens als er een doos in het busje wordt geladen. Dit is het moment. Eenentwintig jaar houdt het zich schuil in haar achterhoofd, ver weggestopt tussen hersencellen.

Bij elk afscheid piept het even naar boven om zich te doen gelden. Op zijn trips naar het buitenland, op de dagen van afwezigheid tijdens een schoolkamp of op slaapfeestjes bij vrienden of familie. Dit afscheid is niet voor een nacht of een paar dagen en duurt langer dan een aantal weken of maanden, het sluit voorgoed een periode af.

Het busje raakt steeds voller. Zijn bed, de boeken, de stapel vinyl in een bananendoos beschermd door zijn hoofdkussen, vuilniszakken volgestouwd met zijn kleren. Ze wil niet zien hoe alle voorwerpen die zo aan hem verbonden zijn, voorgoed met hem meegaan. Toch geeft ze lachend de vuilniszak met sneakers aan, een oranje veter bungelt wat verloren uit de dichtgeknoopte zak. Ze maakt er een grapje over, haar woorden klinken niet als in een zin en slaan neer op de dichtgevouwen dozen.

Deze uittocht is een wisseltruc, haar gemis geeft ruimte aan zijn geluk. Hij komt er wel, en zij is al zo ver gekomen. Zoveel moeders zijn verbonden door eenzelfde lot, waar maakt ze zich druk om? Binnen een uur staat ze op het station in de stad waar hij studeert en gelukkig is. Die troostende woorden krijgt ze regelmatig toegespeeld, als een valsspelende joker in een spelletje pesten.

‘Het is niet de afstand’

‘Het is niet de afstand’, antwoordt ze dan. Het is een nieuwe fase, bedenkt haar hoofd. Een periode van vrijheid en ontplooiing voor hem en een vertaalslag voor haar. Het is niet de vraag hoe laat hij thuiskomt, maar de wens hem weer te zien. Aan hun tafel, op zijn stoel. Zijn aanwezigheid is niet langer vanzelfsprekend, hij draait mee op de achtergrond van haar nieuwe bestaan.

De betogen over films, de eenzame fietstochten na een avond met vrienden, de deur die stilletjes wordt opengedaan maar hard in het slot valt, de voetstappen op de trap, alle geluiden waar ze zo van houdt, neemt hij mee. Ze weerkaatsen niet meer als zijn naam in het trapgat. Zijn komst wordt niet meer aangekondigd door het kraken van het hout. Zoveel moeders lezen het verhaal. De lege kamer, het wuiven, de blik van verstandhouding als het holle bewijs dat ze het goed heeft gedaan. Hij staat op eigen benen. De weg naar volwassenheid is geslaagd. De motor start.
‘Dag mam, ik kom snel weer.’

Hij kijkt niet om, want hij kent haar. Niet terugblikken en voelen hoe het was. Hij ervaart haar pijn. Zij ondergaat de hobbel waar hij overheen moet, ook hij heeft stiekem weemoed naar zijn jeugd in zijn verlangen naar groei en onafhankelijkheid.

De deur van het busje klapt dicht als hij zich op de passagiersstoel hijst. Zijn vrienden claxonneren, een hand uit het raam, het busje trekt op. De banden zoeven weg in de straat die hij al net zo verbaasd achterlaat. ‘Daar gaat ie.’

Haar man zoekt naar sporen van zijn zoon op weg naar de voordeur. Zijn voeten hebben geen haast en willen terugrennen in de tijd, zo het busje in.

Ze sluit de voordeur. De schoenen in de gang krijgen een trap, de kapstok een tik met een jas die geen zeer doet. Ze telt de eenentwintig jaren die op maanden lijken en de uren van films met z’n drieën op de bank. Mooie films, rauw, grappig, hilarisch of pijnlijk eerlijk. De cinema. Zijn vuur. De droom. De magische wereld die hij zo liefheeft, het eigen universum dat zijn verhaal vertelt. Woorden omgezet in beeld, scènes van bevlogenheid, soms treffend in een enkele seconde.

De deuren naar de tuin slaat ze open. Ze wroet wat in de aarde, ze buigt wat door de knie, ze schoffelt wat aan, ze weet niet wat ze doet. Ze weet niet wie ze is en ooit was, ze weet niet of ze er toe doet en wat haar taak nog is nu alle zorg op eigen benen staat.

Ze wast haar handen onder een dichte kraan en loopt naar het strand. Alles lijkt zo zinloos. De straat stottert, de tegels trekken, het helmgras in zicht houdt afstand.

Het is stil, de auto’s staan doods langs het trottoir. Even voelt ze niets meer. Haar benen bewegen maar elke stap lijkt zo zinloos. Het strand ligt er lui bij, een patrijs zeilt langs, vreemde vogels slaan gapend de vleugels uit.

Een bekende steekt een hand op, ze brengt wat geluid voort maar de lucht antwoordt kil. Het guurt in april en haar handen slaan klam. Een bootje ver weg wiebelt op het water. Een vis in zee ademt bubbels van plastic. Zeenat slaat over het strand en trekt het zand de diepte in.

De weg naar huis is al net zo vreemd. Meeuwen scheren langs haar, ze halen de mist in. De dag lijkt oneindig maar het licht kort zich in. Stoeptegels trekken krom in hun poging haar de weg te wijzen.
Het licht brandt. De klink doorstaat haar handdruk en biedt toegang tot het huis met de ontbrekende geluiden. De wereld houdt zich zo verdomde koest. Haar man staat voor het raam, ook hij weet van de leegte, de lengte van de uren die hun nog zo vreemd is.

Ze wil bellen maar niemand spreken. Mensen weten het vaak beter. Ze bedoelen het goed maar vandaag zijn alle woorden verkeerd gekozen. Ze voelt zich bij voorbaat al niet begrepen. Dit gevoel is niet deelbaar. Het is te groot en te zwaar om er een plak af te snijden en het op iemands bord te leggen. Mensen weten zich er geen raad mee. Ze kunnen het niet oplossen. Dit moet ze zelf doen. De weg van trotseren is lang. Het huis is leeg, de vaart is eruit. Zelfs de bank was nooit zo lui. Zijn energie, de jongensachtige motor die het uur aandraait, het piepen van de banden als hij op de rem trapt. De snelheid die de treden moeten verdragen. De loop uit het hout, de stem uit het cement.

‘Het huis ademt maar ze hoort niets’

Het huis ademt maar ze hoort niets. Enkel het tikken van de klok, ook al zo’n waardeloos voorwerp. Wat is tijd, wat is de duur van gemis, wat is de lengte van een uur in werkelijkheid? Niets meer dan een afspraak in eenheid waar ze zich aan vasthoudt. Een leegte in stukken verdeeld, in afwachting van de toekomende tijd. Als ze buiten de tijd om denkt, is ze te laat en komt ze vast te zitten in de beknelling van haar hoofd.
Tijd is een abstractie maar zij kan hem voelen.

‘Tijd doet pijn’

Tijd doet pijn. Ze kijkt uit naar het uur van weerzien. Tot dat moment zet ze hem stil. Ze dwingt de tijd tot krimpen, ze wil zijn uren kleiner maken, de dagen korter. Anderen draven door waar haar wereld even stil staat. Ze versnellen in tempo en gaan aan haar voorbij. Zij vertraagt en houdt vast aan de opslag in haar hoofd. Haar uren, de minuten met hem, ze komen allemaal voorbij. De gesprekken die er toe doen, keren terug in de verleden tijd.

‘De tijd baart rozen’

De tijd baart rozen. De zee zal weer lonken en het strand weer voelen als zand. De golven in haar gezicht zijn plooibaar. Het water zal deinen, het bloed weer stromen. Het tij zal keren in een tijd die zo ver weg lijkt. Ze zal de eindeloosheid trotseren en samen kijken ze om. Ze passeert deze sluis, maar voor nu is het rug rechten, haren in de wind.

 Dit verhaal, over het loslaten van je kind, is te lezen in de verhalenbundel ‘De val van de patrijs’ van auteur Marieke Sibarani (verschenen zomer 2026), waarbij alle personages iets of iemand loslaten.

 

Reacties